Stefaan Tanghe – Klein maar fijn

Alle odes

Lang ben ik klein geweest. Groeien leek simpelweg niet voor mij weggelegd. Veel moeite had ik daar aanvankelijk niet mee. Ik was een kind en kinderen zijn nou eenmaal klein, zo redeneerde ik op de voor mij kenmerkende nuchtere wijze.

Dat veranderde eind jaren ’90, toen ik mijn entree maakte op de middelbare school. Ineens besefte ik me dat ik met mijn 1 meter 40 niet veel verder kwam dan de heupen van mijn vrouwelijke klasgenoten. Op zich een prima hoogte, maar vooral voor het leggen van contact niet ideaal, merkte ik al snel.

Ook op het voetbalveld werd het er niet veel gezelliger op. In de D-tjes was er met mijn fragiele postuur nog geen vuiltje aan de lucht, maar in de C-tjes lag ik vaker op de grond dan dat ik erop stond. Uit de kluiten gewassen boerenknullen uit de randgemeenten van Eindhoven wisten mij te pas en te onpas tegen het gras te werken met een welgemikte schouderduw. Bont en blauw kwam ik wekelijks thuis.

Hoe graag ik ook wilde, ik kon mijn geringe lengte niet langer relativeren. Klein maar fijn? Die uitspraak bezorgde me nachtmerries. Groeien wilde ik, liever nog vandaag dan morgen. Vurig hoopte ik op die ene nachtelijke groeispurt. Dat ik ineens wakker zou worden met lange stelten. Groeipijnen? Die zou ik stoer op de koop toe nemen. Als ik maar een paar decimeter groter was.

En toen was daar ineens Stefaan Tanghe – de kleine grote zomeraankoop van FC Utrecht in de zomer van 2000. Al de 28 gepasseerd, maar met de looks van een blaag van 12. Een iel, blond mannetje van twee turven hoog met een veel te groot shirt met rugnummer 10. Ik bleef maar staren naar de Voetbal International waarin Tanghe werd gepresenteerd. Ik zag mezelf.

Stefaan liet al snel zien dat een beperkt fysiek geen belemmering hoefde te zijn. Met zijn ragfijne techniek, fluwelen balbehandeling en uitmuntende inzicht stond hij zijn mannetje. Sterker: hij nam Utrecht bij de hand. Het waren prachtige jaren in de Galgenwaard en veel van wat de Vlaamse middenvelder aanraakte, veranderde in goud. Eigenhandig breidde hij de prijzenkast van de plaatselijke FC uit met maar liefst twee KNVB Bekers – en dan werd er zelfs nog een andere finale verloren. Stefaan was de spil van het succes.

Terwijl Jean Paul de Jong achter hem de gaten dicht liep – en de kaarten aaneenreeg – kon de kleine nummer tien excelleren. Een steekpass hier, een slimme loopactie daar. Een vrije trap met een fraaie curve in het kruis – het werd al snel zijn handelsmerk en ik keek toe. Fysieke duels ontwijken én toch bepalend zijn: het kon dus toch. Soms leek het wel of Stefaan me met elke mooie actie of fraai doelpunt toefluisterde: ‘Kalm Erik, die centimeters komen er nog wel bij. En zo niet, dan is ook niet alles verloren.’

Ik trok me daaraan op. Mijn bewondering voor de man groeide met de dag en mijn zelfvertrouwen ook. En uiteindelijk – alsof het zo moest zijn – besloot mijn lichaam zich daarbij aan te sluiten. Die echte groeispurt zou nooit komen, maar ik werd wel degelijk steeds iets groter. Haast ongemerkt stapelde de centimeters zich op, tot ik in 2005 met een solide 1 meter 85 én een opgeheven hoofd de middelbare school kon verlaten.

Stefaans taak zat erop. Hij leek dat zelf ook door te hebben, want al snel stond hij zijn basisplaats in Utrecht af aan de jongere garde. Het was goed zo. Terwijl Stefaan ging afbouwen, had ik eindelijk de weg omhoog ingezet.

Elke maand de beste odes en lijstjes in je mailbox? Meld je aan!

Tekst: Erik Molkenboer

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s